Euh Multi disciplinair overleg… ikke daar???

Vandaag mocht ik aanschuiven bij een multidisciplinair overleg in Waalwijk. Dat klinkt heel officieel, en dat was het ook. Mijn broer bracht me erheen en haalde me weer op, want lopen is tegenwoordig meer een theoretisch concept dan een praktische bezigheid. Mijn enkel geneest heel langzaam maar met looprek en de nodige hulp is het gelukt.

Toen ik binnenkwam, stroomde de zaal vol met mensen uit allerlei disciplines. Thuiszorg,ontmoetingscentra voor mensen die in herstel zijn met psychische aandoeningen, fysiotherapie, begeleiders van mensen met een lichte verstandelijke beperking, niet geïndiceerde dagbesteding , huisartsen ondersteuning, sociaal werk etc etc.. Een indrukwekkende verzameling mensen die allemaal hetzelfde doel hebben, mensen helpen.

Men werkt aan een nieuwe(?) manier van samenwerken in wijkteams. Het idee is dat professionals elkaar sneller weten te vinden, schuttingen verdwijnen en samen eerder signaleren wanneer iemand tussen wal en schip dreigt te vallen of voor iemand hulp te vinden in het netwerk. Vooral mensen die zelf geen hulpvraag kunnen formuleren. Want zorg krijgen begint tegenwoordig vaak met het stellen van de juiste vraag. En daar begint meteen het probleem. Als je pijn hebt aan je grote teen, dan kun je misschien nog wel zeggen dat je pijn hebt. Maar wat als je chronisch ziek bent, uitgeput, digitaal niet vaardig, moeite hebt met lezen of gewoon niet meer weet waar je moet beginnen? Dan wordt het ineens een stuk ingewikkelder.

Mijn workshop ging over een vraag die mij al jaren bezighoud “ hoe houden we de zorg niet alleen betaalbaar en toegankelijk, maar vooral menselijk?”

Onze zorgwereld is de afgelopen twaalf jaar enorm veranderd. Mijn telefoon staat inmiddels voller met zorg-apps dan met foto’s. Voor bijna alles moet je inloggen, een vragenlijst invullen, een portaal openen of een app downloaden. En onder die vragenlijsten staat dan regelmatig een vriendelijke dreiging: “Als u dit formulier niet invult, kan het zijn dat uw afspraak niet doorgaat.” Dat heet waarschijnlijk cliëntparticipatie. Het voelt soms meer als huiswerk.

Voor veel mensen werkt dit prima. En daar maak ik mij niet druk over! Digitalisering heeft ook veel voordelen gebracht. Maar er is een groep mensen die nooit echt een alternatief heeft gekregen. We hebben gezegd, ga maar naar de bibliotheek.

Maar hoe kom je daar als je slecht ter been bent? Hoe vraag je hulp als je niet weet welke vraag je moet stellen? Hoe regel je een DigiD als je al zenuwachtig wordt van een brief van de overheid? En hoe vraag je überhaupt hulp als je je schaamt voor je situatie?

Dat zijn de mensen waar ik me zorgen over maak. Mensen die te ziek zijn. Te moe zijn. Niet digitaal vaardig, waar begrijpend lezen moeilijk is, financieel armlastig zijn. Mensen die achter hun voordeur verdwijnen zonder dat iemand het merkt.

Wat me vandaag opviel, was dat vrijwel iedereen aan tafel dit probleem herkende. Om de vijf minuten wisselde de groep en begon ik opnieuw. Persoonlijk vond ik die vijf minuten veel te kort. Tegen de tijd dat het gesprek interessant werd, moest de volgende groep alweer aanschuiven.

Maar steeds hoorde ik hetzelfde. Professionals zien deze mensen ook. Ze maken zich er zorgen over. Ze lopen ertegenaan.

En tegelijkertijd zag ik iets anders.

Ik zag mensen die met hart en ziel werken. Mensen die ondanks protocollen, registraties, tijdsdruk, personeelstekorten, productieafspraken en een overheid die voortdurend zoekt waar het goedkoper kan, toch proberen het goede te doen.

Dat verdient respect.

Want de meeste hulpverleners worden niet gehinderd door gebrek aan motivatie. Ze worden gehinderd door systemen.

Ze mogen vaak minder tijd besteden dan nodig is. Ze moeten voldoen aan regels die iemand anders heeft bedacht. Ze moeten registreren wat ze eigenlijk liever zouden besteden aan een gesprek.

En toch blijven ze doorgaan.

Toch vond ik vandaag dat er één belangrijke partij ontbrak.

De woningcorporatie.

Want de meest kwetsbare mensen zitten vaak letterlijk achter een gesloten voordeur. De gordijnen dicht. De deur op slot. Geen familie. Geen netwerk. Geen contact met de buurt.

Daar komt een hulpverlener vaak niet zomaar binnen.

Maar een woningcorporatie heeft wél een ingang.

Niet omdat ze macht hebben, maar omdat ze een relatie hebben. Een huurcontract is soms de enige reden waarom er nog contact mogelijk is.

In mijn vroegere werk zag ik dat regelmatig. Als ik dacht dat iemand hulp nodig had, probeerde ik niet alleen binnen te komen. Ik nam meteen iemand mee van de GGZ, de GGD of een andere hulporganisatie. Dan ontstond er een opening. En ja soms moest ik de bewoner dreigend toespreken dat de deur open moest omdat de verwarmingsketel schoongemaakt moet worden voor veiligheid… ik kwam niet om mensen te controleren maar om mensen te bereiken. Want hulp begint vaak met contact.

En contact begint soms met aanbellen en soms een licht dwang.

Ondanks alles ging ik vandaag met een goed gevoel naar huis. Dat is opvallend, want lichamelijk ben ik momenteel ongeveer het tegenovergestelde van fit. Een blaasontsteking, een flinke dosis hydrocortison, een gezicht dat zo opgezet is dat mijn ogen ergens achter de wallen verstopt zitten, vocht vasthouden alsof ik me voorbereid op een droogteperiode en een energieniveau dat normaal gesproken ergens tussen kamerplant en lege batterij zit.

Maar toch.

Van dit soort bijeenkomsten krijg ik energie.

Omdat ik mensen ontmoette die nog steeds geloven dat zorg over mensen gaat.

* Niet over systemen.

* Niet over vinklijstjes.

* Niet over apps.

Maar over mensen.

En zolang er professionals zijn die dat blijven zien, is er misschien nog hoop voor iedereen die achter die gesloten deur zit.

Margriet

2 juni 202

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑