
Ik blijf ermee stoeien. Ik heb niets tegen homo’s, lesbiennes, biseksuele of transgender mensen. Voor mij zijn mensen gewoon mensen. Ik zie niemand iets verkeerd doen omdat die homo is, lesbisch is of zich niet thuis voelt in het lichaam waarin die geboren is. Mensen doen goede of verkeerde dingen omdat ze mensen zijn.
Als iemand een goed mens is, respectvol met anderen omgaat en zich aan de wet houdt, dan wil ik diegene graag leren kennen. Dan kunnen we praten, lachen en misschien vrienden worden. Of iemand op hetzelfde of op een ander geslacht valt, maakt voor mij niet uit.
Toch vind ik het soms ingewikkeld. In Waalwijk ligt een regenboogzebrapad. Ik vind het mooi en rijd er geregeld met mijn rolstoel overheen. Ik heb nooit het gevoel gehad dat mij iets door de strot werd geduwd. Maar er zijn mensen die zeggen dat zulke uitingen te veel nadruk leggen op een aparte groep. Een goede vriend van mij is homo en getrouwd met een schat van een man. Hij vindt ook dat regenboogvlaggen, de Pride en andere zichtbare uitingen soms het beeld versterken dat homo’s een aparte groep zijn en de extravagante kant laten zien… alsof elke homo etc zich daarin herkent! Terwijl hij gewoon een normaal leven leidt, werkt, belasting betaalt en met zijn man samen is. Niet meer en niet minder.
Ik begrijp wat hij bedoelt. Tegelijkertijd vind ik dat wie een regenboogvlag wil ophangen, dat gewoon moet kunnen doen. En van mij mag dat zebrapad blijven liggen. Misschien hoeven we er niet voortdurend de nadruk op te leggen, maar waarom zou het er niet mogen zijn? Doordat er steeds meer signalen komen dat deze gemeenschap steeds minder geaccepteerd wordt, houdt het mij bezig.
De discussie over Zwarte Piet voelt soms vergelijkbaar. Toen mensen aangaven dat Zwarte Piet voor hen verbonden was met een pijnlijk slavernijverleden, veranderde de traditie. Nu zijn er roetveegpieten en voor veel kinderen is Sinterklaas nog steeds een feest. Toch lees ik rond de intocht weer dat verandering mensen door de strot wordt geduwd. Maar wie zegt dat alles precies moet blijven zoals het in de jaren vijftig, zestig, zeventig, tachtig en negentig was, vraagt anderen óók om zich aan diens voorkeur aan te passen. Voor de kinderen, waarvoor het feest is, is het echt onbelangrijk! Het gaat veel over acceptatie van verschillende gemeenschappen. Nu staat tolerantie van diverse gemeenschappen steeds meer onder druk.
Ik merk dat ik zulke harde uitspraken vaker hoor uit rechtse en extreemrechtse hoek. Dat is mijn indruk, geen uitspraak over iedereen die rechts stemt. Maar ik hoor daar bijvoorbeeld oproepen dat Zwarte Piet terug moet komen, of dat homo’s de gevangenis in moeten of in ieder geval niet zichtbaar hoeft te zijn! Dat doet me wat. Ik hoor zelden gewone linkse mensen zeggen dat alle Turken, Marokkanen weg moeten of dat homo’s opgesloten moeten worden. Misschien hoor ik niet alles, maar dit is wat mij opvalt.
Ook binnen strenggelovige gemeenschappen worden homoseksuele mensen soms behandeld alsof ze ziek of bezeten zijn. Dat vind ik moeilijk te begrijpen en verdrietig. Ik ben zelf niet gelovig, maar iedereen mag geloven wat die wil. Mijn buren zijn moslim en daar heb ik geen enkel probleem mee. Ik krijg pas moeite met geloof wanneer iemand vindt dat ik ook moet geloven, of mij wil vertellen hoe ik moet leven. Dat geldt voor iedere overtuiging.

En dan is er de politie, die haar gebouw in regenboogkleuren verlichtte. Daaronder las ik reacties als: “Ze moeten gewoon hun werk doen.” Dat doen ze toch? Wat doen ze verkeerd door hun gebouw in regenboogkleuren te zetten? De politie laat daarmee zien dat er ook binnen haar organisatie LHBTQ+-mensen zijn en dat zij erbij horen. Dat licht verandert niets aan iemands dagelijks leven. Waarom is dat dan zo’n probleem?

Ik begrijp dat niet iedereen behoefte heeft aan vlaggen, parades of speciale dagen. Mijn vriend heeft daarin een punt. Hij wil niet steeds als lid van een aparte groep worden gezien. Maar voor anderen kan zichtbaarheid juist belangrijk zijn, omdat ze niet altijd het gevoel hebben dat ze veilig of vanzelfsprekend zichzelf kunnen zijn. Ik wil die ervaring niet wegwuiven. Misschien hoeven we niet allemaal hetzelfde te voelen over een vlag of een zebrapad om elkaar wel ruimte te geven.
Ik wil geen groepen apart zetten en toch schrijf ik er nu over. Dat is misschien tegenstrijdig. Maar ik schrijf erover omdat ik zie hoe snel mensen elkaar veroordelen. Omdat ik niet wil dat iemand wordt teruggeduwd in de kast, uitgelachen of uitgesloten om wie die is.
Voor mij blijft het uiteindelijk eenvoudig. Laat elkaar leven. Het kan mij niet schelen waar iemands familie vandaan komt, welke huidskleur iemand heeft, of iemand gelooft of juist niet gelooft, en op wie iemand verliefd wordt. Ook als iemand zich niet prettig voelt in het lichaam waarin die geboren is, is dat niet aan mij om te beoordelen. Ik hoef niet alles zelf te begrijpen om een ander met respect te behandelen.

En als iemand strafbare feiten pleegt? Daar hebben we rechters voor. Die beoordelen wat er is gebeurd en welke straf daarbij hoort. Niet een hele bevolkingsgroep, niet een geloof en niet een seksuele geaardheid.
Dus ja, van mij mogen de regenboogvlag en het regenboogzebrapad er zijn. En als iemand ze liever niet ziet, hoeft die er niet naar te kijken. Maar laat anderen de ruimte om zichtbaar te zijn. Een vlag dwingt niemand om iets te voelen of te geloven. Een regenboog op een politiebureau neemt niemand iets af.

Ik kies voor mensen. Niet voor een bevolkingsgroep, maar voor ieder mens afzonderlijk. Wie ben ik om over een ander te oordelen om iets wat niemand kwaad doet?
Margriet
16 oktober 2026
